Belastingplan 2015

Belastingplan 2015

Het pakket Belastingplan dat andere jaren soms uit vier of meer wetsvoorstellen bestond is dit jaar beperkt tot uitsluitend het wetsvoorstel Belastingplan 2015. In het Belastingplan 2015 zijn naast de maatregelen als gevolg van de koopkrachtbesluitvorming alleen de maatregelen opgenomen die voortvloeien uit politieke afspraken die per 1 januari 2015 in werking moeten treden. De meer technische maatregelen die op 1 januari 2015 in werking moeten treden zijn dit jaar ook ondergebracht in het wetsvoorstel Belastingplan 2015. De maatregelen die niet noodzakelijkerwijs per 1 januari 2015 in werking hoeven te treden en die ook geen bijdrage leveren aan vereenvoudiging zullen worden opgenomen in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2015 dat in het voorjaar van 2015 zal worden ingediend bij de Tweede Kamer. Dat wetsvoorstel zal om die reden dan ook een meer inhoudelijk karakter krijgen dan andere jaren. Het door de staatssecretaris in het Belastingplan 2015 aangekondigde wetsvoorstel Wet invoering Beschikking geen loonheffingen (VAR-webmodule) was bij het ter perse gaan van deze aflevering nog niet bekendgemaakt.

Het Belastingplan 2015 bestaat uit:

  1. Maatregelen uit het Regeerakkoord, de Begrotingsafspraken 2014 en de besluitvorming uit augustus 2014.
  2. De werkkostenregeling.
  3. De energiebelasting.
  4. Overige maatregelen.

De maatregelen treden in werking per 1 januari 2015, tenzij anders aangegeven. Voor de duidelijkheid hebben wij de maatregelen uit het Belastingplan 2015 ingedeeld naar belastingsoort.


INKOMSTENBELASTING

Tarieven

  • Het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting wordt in 2015 verhoogd van 36,25% tot 36,5%. Deze verhoging is minder groot dan in het Belastingplan 2014 was voorzien (een stijging tot 36,76%). De eerder voorziene verhoging van het tarief in de eerste schijf met 0,06%-punt per 1 januari 2016 tot 36,56% blijft gehandhaafd. De tarieven in de overige belastingschijven wijzigen niet.
  • Na inwerkingtreding van de Wet langdurige zorg wordt het tarief in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting met 3%-punten verhoogd. Dit is een compensatie voor de lagere premie voor de verzekering langdurige zorg, die de AWBZ vervangt.

Algemene heffingskorting Het maximum van de algemene heffingskorting wordt verhoogd van € 2.103 naar € 2.203 en het minimum wordt verlaagd van € 1.366 tot € 1.342. Het afbouwpercentage wordt met 0,32%-punt verhoogd tot 2,32% voor 2015 en tot 3,32% voor 2016. Het inkomenstraject waarover wordt afgebouwd, verandert niet.

Tijdsevenredige toekenning heffingskorting In verband met de vervanging per 1 januari 2015 van de keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen door de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen (zie FutD 2013-2268, onderdeel 14), kan de heffingskorting tijdsevenredig worden toegekend voor de periode waarin de belastingplichtige binnenlandse of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. Deze maatregel gaat per 1 januari 2016 in. Als overgangsmaatregel wordt in 2015 de gehele heffingskorting toegekend aan personen die slechts een deel van het jaar binnenlandse of kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen zijn.

Arbeidskorting De maximum arbeidskorting gaat van € 2.097 naar € 2.220 en de minimale arbeidskorting wordt verminderd van € 367 tot € 184. Het afbouwpercentage blijft onveranderd op 4%, maar de afbouwgrens wordt in 2015 verhoogd van circa € 41.300 naar circa € 49.900, in 2016 van circa € 42.200 naar circa € 50.300 en in 2017 van circa € 43.200 naar € 51.100. Het einde van het afbouwtraject ligt in 2015 bij een inkomen van circa € 100.800 in plaats van € 92.200.

Ouderenkorting Met ingang van 2016 wordt de ouderenkorting met € 83 verlaagd. De ouderenkorting komt in 2016 voor belastingplichtigen met een inkomen tot circa € 36.200 uit op circa € 970 en voor belastingplichtigen met een hoger inkomen op circa € 70.

Afschaffing ouderentoeslag box III De verhoging van het heffingvrije vermogen van maximaal € 27.984 in box III voor ouderen met een inkomen in box I van maximaal € 19.895 en een grondslag sparen en beleggen in box III van maximaal € 279.708 per belastingplichtige (de ouderentoeslag) wordt met ingang van 1 januari 2016 afgeschaft.

Woningmarktmaatregelen

  • De maximale periode voor de aftrek van rente op restschulden wordt verlengd van 10 naar 15 jaar.
  • De verlenging van de termijn van de renteaftrek voor de leegstaande, te koop staande voormalige eigen woning of een leegstaande toekomstige eigen woning (geïntroduceerd in 2011) wordt structureel gemaakt. De termijn voor deze verhuisregeling blijft dus drie jaar.
  • De verlenging van de regeling herleving van de hypotheekrenteaftrek na verhuur van een voormalige eigen woning (geïntroduceerd in 2010) wordt structureel gemaakt. Hierdoor blijft het mogelijk om de te koop staande woning te verhuren zonder toepassing van de bijleenregeling en kan de renteaftrek na de periode van verhuur voor de volle omvang herleven voor het restant van de periode waarin de verhuisregeling van toepassing is.

Aanpassing afbouw kindgebonden budget Het afbouwpercentage van het kindgebonden budget wordt verlaagd van 7,6 naar 6,75. Hierdoor ontvangen ouders met een inkomen tussen € 19.767 en de bovengrens meer kindgebonden budget.

Oudedagsvoorzieningen

  • Om te voorzien in inkomen bij arbeidsongeschiktheid, kunnen ZZP'ers een lijfrente (gedeeltelijk) eerder opnemen zonder dat revisierente wordt verschuldigd. De regeling geldt alleen bij langdurige arbeidsongeschiktheid, als de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet is bereikt en bovendien wordt een maximum gesteld aan het op te nemen bedrag. De ontvangen afkoopsom behoort wel tot het box I-inkomen. Bij gedeeltelijke afkoop van de lijfrente blijft het restant onder het lijfrenteregime van box I vallen.
  • Bij een (gedeeltelijke) afkoop van een nettolijfrente wordt alsnog een bedrag in box III in aanmerking genomen. Dit bedrag is een forfaitaire benadering van het genoten box III-voordeel, te weten de helft van de aanspraak op de nettolijfrente aan het begin van het kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien. Er komt wel een tegenbewijsregeling.
  • In box III wordt onder voorwaarden een afzonderlijke vrijstelling voor arbeidsgerelateerd (tweedepijler) nettopensioen opgenomen. Dit kan gaan om netto-ouderdomspensioen, nettopartnerpensioen of nettowezenpensioen en deze moeten tijdsevenredig worden opgebouwd op basis van een beschikbarepremieregeling.
  • Aanspraken op grond van een nettopensioenregeling worden vrijgesteld van erfbelasting.

Uitsluiting aftrek buitenlandse boeten Buitenlandse geldboeten worden uitgesloten van aftrek in de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Om te voorkomen dat buitenlandse boeten als eindheffingsbestanddeel kunnen worden aangewezen en bij de werknemer niet kunnen leiden tot belastingheffing, wordt ook de loonbelasting aangepast.

RDA Het budget voor de Research & Development Aftrek (RDA) bedraagt in 2015 € 238 mln. Naar verwachting kan daarmee de RDA op 60% worden gehandhaafd. Eind 2014 wordt het definitieve RDA-percentage bij ministeriële regeling vastgesteld.


VENNOOTSCHAPSBELASTING

Tier 1 voor verzekeraars Aanvullende tier 1-kapitaalinstrumenten die worden uitgegeven door verzekeraars, worden voor de vennootschapsbelasting vanaf 2015 behandeld als vreemd vermogen, net als bij banken (zie FutD 2014-1286 en FutD 2014-1366 met ons commentaar voor het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2014).

LOONHEFFING

S&O-afdrachtvermindering Het budget voor de S&O-afdrachtvermindering bedraagt in 2015 € 794 mln. De tarieven in de eerste schijf van 35% (voor starters: 50%) en de tweede schijf van 14% blijven daarom hetzelfde. Ook de loongrens voor de eerste schijf kan worden gehandhaafd op € 250.000. Het plafond van € 14 mln verandert evenmin. Contractonderzoek door publieke kennisinstellingen wordt uit de S&O-afdrachtvermindering gehaald en voortaan worden alleen nog maar inhoudingsplichtigen die een onderneming drijven, aangemerkt als S&O-inhoudingsplichtige.

Gebruikelijkloonregeling

  • De huidige doelmatigheidsmarge van 30% in de gebruikelijkloonregeling voor directeuren-grootaandeelhouders (DGA's), als een zakelijk loon hoger is dan het wettelijk vastgestelde loon van € 44.000 (bedrag 2014), wordt verlaagd naar 25%. Voor 2015 is voorzien in overgangsrecht. Dit houdt in dat het loon van de DGA in 2015 wordt gesteld op 75/70e van het loon in 2013, als dit loon in 2013 hoger was dan € 43.000 (het standaardbedrag in 2013), tenzij aannemelijk is dat het loon in 2015 op grond van de gebruikelijkloonregeling op een hoger of lager bedrag moet worden gesteld. Mochten afspraken zijn gemaakt met de Belastingdienst over het gebruikelijk loon na 2014, dan zijn deze afspraken hierbij opgezegd.
  • Als hoofdregel geldt vanaf 2015 dat het in aanmerking te nemen loon ten minste wordt gesteld op het hoogste van de volgende bedragen: a. 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. b. het hoogste loon van de overige werknemers van de vennootschap. c. € 44.000.
  • Vervolgens heeft de inhoudingsplichtige de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat het in aanmerking te nemen loon op een lager bedrag moet worden gesteld. Dit kan als aannemelijk is dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is. Voor zover het loon met deze tegenbewijsmogelijkheid niet daalt onder de € 44.000, mag de inhoudingsplichtige rekening houden met de doelmatigheidsmarge.
  • Het begrip "soortgelijke dienstbetrekking" wordt vervangen door het nieuwe begrip "meest vergelijkbare dienstbetrekking".
  • Het loon van de DGA wordt minimaal gesteld op het hoogste loon van de overige werknemers die werken bij de vennootschap van de DGA of bij verbonden vennootschappen. Voortaan mag ook rekening worden gehouden met alle overige werknemers bij lichamen waaruit de inhoudingsplichtige met toepassing van de deelnemingsvrijstelling voordelen kan genieten. Ook voor de specifieke regeling voor situaties dat het gebruikelijk loon niet hoger is dan € 5.000, wordt voortaan aangesloten bij deze groep verbonden lichamen.

Levensloop De onder het overgangsrecht vallende deelnemers aan een levensloopregeling die in 2013 geen gebruik hebben gemaakt van de in 2013 geldende regeling dat bij volledige opname van het levenslooptegoed slechts 80% werd belast, krijgen in 2015 eenmalig de gelegenheid om gebruik te maken van een 80%-regeling. Deze 80%-regeling zal ten hoogste gelden voor het bedrag van de aanspraken op 31 december 2013. Na toepassing van de 80%-regeling kan de belastingplichtige geen gebruik meer maken van het overgangsrecht, omdat het volledige tegoed moet worden opgenomen.

Werkkostenregeling De sinds 1 januari 2011 bestaande facultatieve werkkostenregeling (WKR) wordt met ingang van 1 januari 2015 verplicht voor alle werkgevers. De WKR wordt wel op vijf punten aangepast en om dat te financieren wordt de vrije ruimte vanaf 2015 verlaagd van 1,5% naar 1,2%.

  • Beperkte introductie van het noodzakelijkheidscriterium Het noodzakelijkheidscriterium is een open norm die ervan uitgaat dat wat een werkgever in het kader van zijn bedrijfsvoering aan voorzieningen noodzakelijk vindt, kan worden verstrekt aan de werknemer zonder fiscaal rekening te houden met het privévoordeel van de werknemer. Het noodzakelijkheidscriterium wordt voorlopig alleen geïntroduceerd voor gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur. In eerste instantie wordt de noodzakelijkheid aan de werkgever overgelaten, al wordt zijn oordeel geobjectiveerd met een redelijkheidstoets. Na drie jaar vindt een evaluatie van het noodzakelijkheidscriterium plaats.
  • Eenmalige toetsing vrije ruimte en jaarlijkse afrekening Inhoudingsplichtigen hoeven voortaan nog maar één keer per jaar vast te stellen wat hun verschuldigde belasting in het kader van de WKR is. Hierdoor is het niet meer nodig om per aangiftetijdvak te toetsen of de vrije ruimte wordt overschreden. De eventueel verschuldigde belasting wordt afgedragen in het eerste aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar. Het blijft echter mogelijk om de belasting al eerder in gedeelten af te dragen.
  • Introductie concernregeling De WKR kan op concernniveau worden toegepast door de introductie van de zogenoemde concernregeling. Als voorwaarde voor toepassing van de concernregeling geldt dat bij de moedermaatschappij sprake moet zijn van vrijwel volledige eigendom (95%-eis) van de (klein)dochtermaatschappij(en). De bij overschrijding van de gezamenlijke ruimte verschuldigde belasting moet worden aangegeven en afgedragen door het concernonderdeel met de grootste loonsom waarover loonbelasting is geheven. Bij de toepassing van de concernregeling zijn de betrokken werkgevers hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele door het concern verschuldigde belasting.
  • Gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten De bestaande regeling voor personeelskorting wordt in de WKR voortgezet in de vorm van een gerichte vrijstelling.
  • Onderscheid vergoedingen/verstrekkingen/terbeschikkingstellingen vervalt Er komt een nieuwe gerichte vrijstelling in de WKR voor een aantal werkplekgerelateerde voorzieningen waarvoor nu een nihilwaardering geldt. Daaronder vallen dan de ter beschikking gestelde, de anderszins verstrekte voorzieningen en de vergoede voorzieningen.

OMZETBELASTING

Verlenging verlaagd BTW-tarief renovatie woningen De tijdelijke toepassing van het verlaagde BTW-tarief op renovatie en herstel van woningen wordt verlengd tot 1 juli 2015. Het moet gaan om renovatie of herstel van woningen, die plaatsvindt meer dan twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming. Het verlaagde BTW-tarief geldt niet voor materialen die een deel vertegenwoordigen van de waarde van deze diensten.

BTW-vrijstelling ziekenhuizen Ziekenhuizen en andere verplegings- en verzorgingstehuizen komen vanaf 2015 in aanmerking voor de BTW-vrijstelling, ook als zij winst beogen.


MRB EN BPM

Gebruik taxatierapporten in BPM Voor het vaststellen van het te betalen bedrag aan BPM bij de import van een gebruikte personenauto kan een belastingplichtige kiezen voor onder meer een taxatierapport. Om misbruik te voorkomen, wordt deze mogelijkheid beperkt tot voertuigen met meer dan normale gebruiksschade en voertuigen die niet voorkomen op koerslijsten. Een uitzondering geldt voor schadevoertuigen die niet langer deugdelijk van bouw en inrichting zijn. Verder wordt het mogelijk gemaakt om bij ministeriële regeling nadere voorwaarden te stellen aan een taxatierapport.

Auto's met dubbele cabine Vanaf 2016 kwalificeert een motorrijtuig met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg en een dubbele cabine alleen als niet te zijn ingericht voor vervoer van personen, als de lengte van de niet voor personenvervoer ingerichte ruimte groter is dan of gelijk is aan de lengte van de voor personenvervoer ingerichte ruimte. Is dat niet het geval, dan is MRB en (bij aanschaf) BPM verschuldigd.


MILIEUBELASTINGEN

Belasting op leidingwater Het heffingsplafond van 300 m3 in de belasting op leidingwater wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2014 gehandhaafd. Daarmee wordt de invoering van een degressieve tarievenstructuur ongedaan gemaakt. Door middel van een besluit van 17 juni 2014 (zie FutD 2014-1522) was al goedgekeurd dat de wettekst zoals die gold op 30 juni 2014, voor heel 2014 kon worden toegepast.

Afvalstoffenbelasting De afvalstoffenbelasting wordt geherintroduceerd. Afval dat vanuit Nederland door bedrijven, gemeenten of particulieren wordt aangeboden om te storten of te verbranden, wordt belast. Het tarief bedraagt € 13 per ton afval.

Energiebelasting

  • De toepassing van het verlaagde tarief in de energiebelasting voor coöperaties en Verenigingen van eigenaren (VvE) die lokaal energie opwekken, wordt vanaf 2015 uitgebreid tot ondernemers. Daartoe vervallen de eis dat nagenoeg alle leden van de coöperatie particulieren moeten zijn en de beperking van de toepassing van het verlaagde tarief tot woningen. Als aanvullende eis wordt opgenomen dat een coöperatie niet voor aanwijzing in aanmerking komt als een ondernemer voor meer dan 20% in de coöperatie of VvE deelneemt.
  • De vrijstelling in de energiebelasting voor duurzame energie die zelf wordt opgewekt, bijvoorbeeld met zonnepanelen, en direct zelf wordt verbruikt, wordt uitgebreid naar de huursector. Dit betreft gevallen waarbij de duurzame elektriciteitsinstallatie is aangebracht op of aan de woning of het gebouw waar de woning deel van uitmaakt, zodat de installatie kan worden gezien als onderdeel van het te verhuren object. Om deze maatregel te financieren wordt de vaste belastingvermindering in de energiebelasting voor WOZ-objecten met verblijfsfunctie (nu € 318,62) verlaagd.
  • Ter compensatie van de budgettaire derving als gevolg van het arrest Fuchs van het EU-Hof van Justitie van 20 juni 2013 (zie FutD 2013-1597), zal de vaste belastingvermindering in de energiebelasting voor WOZ-objecten met verblijfsfunctie (nu € 318,62) stapsgewijs worden verlaagd en de belastingvermindering voor WOZ-objecten zonder verblijfsfunctie (nu € 119,62) worden afgeschaft. Deze maatregel komt bovenop de maatregel voor de dekking voor de uitbreiding van de vrijstelling in de energiebelasting voor zelfopwekking naar de huursector.

FORMEEL EN INVORDERING

Belasting- en invorderingsrente Naar aanleiding van het Irimie-arrest van het EU-Hof van Justitie van 18 april 2013 (zie FutD 2013-1063) wordt de regeling invorderingsrente uitgebreid voor de gevallen waarin de belastingschuldige een recht krijgt op een terug te geven bedrag aan belasting omdat de heffing en inning van die belasting in strijd is met het EU-recht. De invorderingsrente wordt vergoed over het tijdvak dat aanvangt op de dag, volgend op de dag waarop de belasting is betaald of op aangifte is voldaan of afgedragen, en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling. Om dezelfde reden wordt de dividendbelasting onder de regeling belastingrente gebracht.

Eén bankrekeningnummer Om de controle van de eenbankrekeningmaatregel voor de inkomstenbelasting en toeslagen efficiënter en effectiever te kunnen uitvoeren, wordt een informatieverplichting aan banken opgelegd in combinatie met de wettelijke bevoegdheid voor banken om burgerservicenummers in hun interne administratie te gebruiken. In verband met de Wet bescherming persoonsgegevens wordt dit geregeld in de Invorderingswet en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De informatieverplichting voor banken met betrekking tot de uitbetaling van toeslagen wordt opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Awir. De tenaamstellingsverplichting voor teruggaven BTW vervalt.

Uitbreiding bevoegdheid toezichthouders toeslagen Toezichthouders voor toeslagen krijgen een binnentredingsbevoegdheid.

Versnelde invordering toeslagen De Belastingdienst/Toeslagen krijgt de bevoegdheid tot versnelde invordering van toeslagen, de daarbij verschuldigde rente of het bedrag van de bestuurlijke boete in de toeslagensfeer. Versnelde invordering kan alleen in bijzondere situaties, zoals faillissement en vertrek naar het buitenland.

Ministerie van Financiën 16-9-2014, nr. AFP/2014/828 (Fida 20145586)

Meta-informatie: Fida 20145586 (MvF  12-09-2014  AFP/2014/828)