Alternatief voor VAR gepresenteerd: gewijzigd voorstel Beschikking Geen Loonheffing (BGL)

Staatssecretaris Wiebes heeft op 20 april 2015 een alternatief gepresenteerd voor de Beschikking geen loonheffingen (BGL). Hierdoor krijgen opdrachtgevers en opdrachtnemers meer vrijheid bij het sluiten van overeenkomsten van opdracht, maar de controlemogelijkheden zijn ook afgezwakt.

Het voorstel
De in de Kamerbrief van 20 april 2015 nr. DB2015-136M voorgestelde nieuwe opzet is gericht op het ter toetsing voorleggen van modelovereenkomsten door opdrachtgevers en/of opdrachtnemers, al dan niet vertegenwoordigd door belangenorganisaties. De Belastingdienst geeft daarna schriftelijk zekerheid over de kwalificatie van de overeenkomst als een dienstbetrekking of een overeenkomst van opdracht en eventueel vrijwaring van loonheffingen. Op die manier kan eventueel een groot aantal overeenkomsten in één keer worden afgehandeld. Over de mogelijkheid voor intermediairs om ook onder de nieuwe systematiek zzp’ers te bemiddelen, is Wiebes nog in gesprek met de betreffende brancheorganisaties. Invoering van het alternatief zou per 1 januari 2016 moeten plaatsvinden met handhaving van de huidige VAR-regeling tot die datum. Op dit moment wordt gedacht aan het verlenen van een vrijwaring voor vijf jaar met een voorbehoud (bijvoorbeeld vervallen van de goedkeuring van de overeenkomst voor de resterende periode) indien de wet- of regelgeving gedurende die vijf jaar wijzigt.In beginsel zijn de toetsingsvereisten onafhankelijk van het werkzaam zijn in een bepaalde sector maar het opstellen van overeenkomsten per sector wordt mogelijk omdat dan rekening kan worden gehouden met terminologie of afspraken die in een sector gangbaar zijn en met wetgeving waaraan bepaalde sectoren zoals de zorg moeten voldoen.

VoorbeeldovereenkomstenHet streven is om half oktober 2015 ongeveer 40, merendeel sectorale, voorbeeldovereenkomsten beoordeeld en gepubliceerd te hebben op de website van de Belastingdienst. De Belastingdienst komt ook zelf met voorbeeldovereenkomsten die kunnen worden gebruikt. Voor zover daar geen bepalingen aan zijn toegevoegd die afbreuk doen aan de inhoud van de voorbeeldovereenkomst en tegelijkertijd daadwerkelijk in overeenstemming met die overeenkomst wordt gewerkt, leiden ook die overeenkomsten tot vrijwaring voor de loonheffingen. Daarnaast zal de Belastingdienst bepalingen publiceren op zijn website die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of er een verplichting is tot het afdragen of voldoen van loonheffingen. Deze bepalingen kunnen worden gebruikt om een overeenkomst samen te stellen die vervolgens aan de Belastingdienst kan worden voorgelegd ter beoordeling. Wiebes geeft overigens in zijn Kamerbrief ook veertien omstandigheden die een rol kunnen spelen bij het oordeel dat sprake is van een dienstbetrekking.Het beoordelen van een overeenkomst door de Belastingdienst heeft naar verwachting een gemiddelde doorlooptijd van zes weken. De beoogde beoordelingen sluiten aan bij de bestaande praktijk van vooroverleg waarin geen beschikking wordt afgegeven en de formele mogelijkheden van bezwaar en beroep tegen het oordeel van de Belastingdienst buiten beeld blijven. Wel is de Belastingdienst aan een afgegeven instemming op een overeenkomst gebonden en mogen partijen die conform de beoordeelde overeenkomsten handelen rekenen op de gevolgen voor de loonheffingen en de gevolgen voor de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen die daarbij in het vooruitzicht zijn gesteld. Als een opdrachtgever geen door de Belastingdienst beoordeelde (voorbeeld)overeenkomst gebruikt, kan geen sprake zijn van vrijwaring en wordt de feitelijk aangetroffen situatie beoordeeld.

Aanpassingen voor gelijkgestelden en thuiswerkers
Voor de loonbelasting worden een aantal situaties aangemerkt als een fictieve dienstsbetrekking. De vereisten die op grond van artikel 3 Wet LB jo. artikel 2b en artikel 2c Uitvoeringsbesluit LB gelden voor zogenoemde gelijkgestelden en thuiswerkers hebben tot gevolg dat een voorbeeldovereenkomst op zich niets zegt over deze vormen van fictieve dienstbetrekking. In het Uitvoeringsbesluit LB en het Besluit aanwijzing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd zal daarom worden geregeld dat in die gevallen geen sprake is van een fictieve dienstbetrekking indien:

  • partijen een (voorbeeld)overeenkomst ondertekenen waarover de Belastingdienst heeft geoordeeld dat er geen verplichting tot het afdragen of voldoen van loonheffingen uit voortvloeit; en
  • er ook daadwerkelijk volgens die overeenkomst wordt gewerkt.

Dit moet ook als zodanig in de overeenkomst zijn opgenomen, zodat dit voor beide partijen duidelijk is. Door deze uitsluiting kan de opdrachtnemer achteraf geen aanspraak maken op een uitkering ingevolge de werknemersverzekeringen en kunnen er geen loonheffingen bij de opdrachtgever worden nageheven. Een vergelijkbare situatie bestaat op dit moment voor de opdrachtnemers die gebruikmaken van een Verklaring arbeidsrelatie - winst uit onderneming (VAR-wuo) of een Verklaring arbeidsrelatie - directeur-grootaandeelhouder (VAR-dga). Door het overleggen van een VAR-wuo of een VAR-dga, doet een opdrachtnemer eveneens afstand van zijn rechten op een uitkering ingevolge de werknemersverzekeringen.

Nog steeds geen zekerheid over IB-gevolgen
Net als in het huidige wetsvoorstel invoering BGL (34 036) verschaft de kwalificatie van overeenkomst door de Belastingdienst geen duidelijkheid over de fiscale status van de opdrachtnemer voor de inkomstenbelasting. Een eventueel ondernemerschap van de opdrachtnemer en het van toepassing zijn van de fiscale ondernemersfaciliteiten wordt ook bij doorvoering van het alternatief los beoordeeld.

Minder toetsing door opdrachtgever
Bij het voorgestelde alternatief ligt de controle weer vooral bij de Belastingdienst die in het oog moet houden of conform de overeenkomst wordt gewerkt. Het huidige wetsvoorstel invoering BGL is naar onze mening effectiever in het tegengaan van schijnzelfstandigheid en wij verwachten dat het aantal zzp'ers gaat toenemen bij het gaan werken met (grotendeels) zelf op te stellen voorbeeldovereenkomsten. Voor de BGL moet de opdrachtgever actief controleren op de stellingen die uit de webmodule voortkwamen, zoals de risicoverdeling tussen opdrachtgever en opdrachtnemer, de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de instructiebevoegdheid van de opdrachtgever en de mate waarin de opdrachtnemer zelfstandig kan opereren. Alleen als de stellingen overeenkomen met de feitelijke wijze waarop wordt gewerkt, geniet de opdrachtgever volledige vrijwaring; de opdrachtgever moet dus niet alleen het soort werkzaamheden toetsen, maar ook de wijze waarop en condities waaronder in de praktijk wordt gewerkt. Uit de bijlage van het wetsvoorstel Wet invoering Beschikking geen loonheffingen (34 036) kan worden afgeleid dat één van de stellingen altijd inhoudt dat de opdrachtnemer in de afgelopen 6 maanden geen soortgelijk werk in loondienst heeft verricht voor de opdrachtgever.

Opmerkingen FNV
De FNV vreest op grond van de huidige modelovereenkomsten binnen de zorg dat werkgevers misbruik gaan maken van ontstane ruimte bij het opstellen van modelovereenkomsten. De voor de zorgsector opgestelde overeenkomsten met 'zelfstandigen' liggen namelijk zeer dicht tegen een dienstbetrekking aan en concurrentie op arbeidsvoorwaarden tussen zelfstandigen en werknemers is te verwachten.De volgende aanpassingen zijn volgens de FNV (nog steeds) gewenst:

  • geen automatische vrijwaring en afspraken per sector om schijnzelfstandigheid tegen te gaan;
  • het opnemen van minimumtarieven in (sector)cao's waarbij iedereen die onder een bepaald minimumtarief komt automatisch als werknemer wordt aangemerkt. Het minimumtarief wordt vastgesteld op het punt waarop het voor een zelfstandige niet meer mogelijk is om voor een eigen arbeidsongeschiktheidsverzekering te zorgen of een pensioen. Hiermee wordt ook concurrentie op arbeidsvoorwaarden voorkomen.


Bron: Fiscaal Totaal